Leerbladen

zondag 17 januari 2010

Leerblad ontdekkingsreizen.

De grote ontdekkingsreizen.

Cristoffel Columbus.

Admiraal Christoffel Columbus was de eerste die een andere route naar Indië wilde vinden en in westelijke richting zeilde in plaats van in oostelijke richting. Men was er toen pas net van overtuigd dat de wereld bol was. Daarnaast had Columbus beschikking over instrumenten waarmee hij, m.b.v. de sterren, een route kon bepalen op open zee. Daarom durfde hij verder de oceaan op.
Hij had uitgerekend dat hij in drie weken naar China zou zeilen. Columbus maakte in zijn berekening echter twee vergissingen. De aarde was veel groter dan hij dacht en hij wist niet dat tussen Spanje en China nog een heel werelddeel lag: Amerika. Dat wist toen nog niemand.
Na tien weken bereikte Columbus een klein eiland dat hij San Salvador noemde. De inwoners noemde hij indianen omdat hij dacht dat hij in Indië was aangekomen. De indianen waren vredelievend. Ze hadden geen wapens en gaven hun gasten cadeaus. Ook wezen ze de weg naar Cuba (Columbus dacht dat dat Japan was) en naar een eiland dat Columbus Hispaniola noemde.
In opdracht van de Spaanse koning ging Columbus nog een keer naar Amerika. Dit keer om goud te zoeken. Columbus gebruikte deze keer de Indianen als slaven om goud voor hem te zoeken.

Europeanen ontdekken de wereld.

Tussen 1200 en 1400 was Venetië een belangrijke handelsstad. Hier eindigden handelsroutes uit Azië. Langs deze routes voerden Arabische handelaren zijde, suiker en specerijen (peper, nootmuskaat, kruidnagelen) aan. Dat waren gewilde producten in Europa. Europese handelaren haalden de producten over land op in Ventië. Omdat de producten duur waren wilden de Europeanen zelf naar Azië om ze op te halen. Arabische kooplieden stonden dit echter niet toe. Zo zouden ze zelf niets meer verdienen aan de handel met Europa.
De Europeanen zochten een alternatieve route naar Azië: over zee. Die weg kenden de Arabische kooplieden nog niet.
De eerste ontdekkingsreizigers die de weg over zee naar Indië gingen zoeken, waren Portugese zeevaarders. In 1498 slaagde Vasco da Gama erin om rond de zuidpunt van Afrika naar Indië te zeilen. De route probeerden ze zo lang mogelijk geheim te houden, zodat anderen niet dezelfde route zouden gaan varen. Zo konden ze veel winst maken. Later bouwden de Portugezen forten langs de route.
Daar konden handelaren wonen en de schepen voorraad inslaan voor onderweg. Uit Afrika haalden kooplieden goud en ivoor. Uit Indië haalden ze vooral specerijen.
Cornelis de Houtman was de eerste Nederlander die het lukte een reis naar Indië te maken. Hij deed dit in 1596. De Nederlandse kooplieden besloten toen samen te gaan werken en richtten de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) op. Nu waren ze sterk genoeg om de Portugese handelaren uit Indië te verjagen. De belangrijkste Nederlandse handelspost werd Batavia. Bijna tweehonderd jaar lang bracht de VOC specerijen naar Holland. Van daaruit werden ze in heel Europa verkocht.

West-Indische Compagnie (WIC)

Vanaf 1600 trokken Europese kooplieden naar Amerika. Net als in Indië wilden ze daar handeldrijven. Naast het vinden van goud en zilver wilden ze er vooral plantages stichten. Op de plantages verbouwden ze voornamelijk suikerriet, koffie, katoen, cacao en tabak.
Europeanen uit verschillende gebieden streden regelmatig om grond. Om de Nederlandse handelaren te helpen richtte de regering in 1621 de West-Indische Compagnie op.
In 1665 brak er oorlog uit tussen de Republiek (zo heette Nederland toen) en Engeland. De oorlog werd in Amerika uitgevochten. Een groep Engelse kolonisten veroverde de Nederlandse handelsplaats Nieuw-Amsterdam en veranderde de naam in “New York”. Op hun beurt veroverden de Nederlanders fort Paramaribo in Suriname. In 1667 sloten de Engelsen en Nederlanders vrede. Daarbij werd afgesproken dat beide landen de veroverde gebieden in Amerika mochten houden.
Door de ontdekkingsreizen hebben Europeanen veel invloed gekregen in landen in andere werelddelen. Soms was die invloed zo sterk dat daar nu een Europese taal gesproken wordt en Europese godsdiensten het belangrijkste zijn geworden. Voorbeelden zijn Brazilië, Argentinië, landen in Noord-Amerika en landen in Oceanië.

De Batavia is een nagebouwd schip uir de tijd van de VOC. Hij ligt in Lelystad. Men deed er meer dan 10 jaar over om deze kopie te bouwen. In de Gouden eeuw bouwde men dergelijke schepen in minder dan één jaar. Toen wist men echter precies hoe je zo’n schip moest bouwen. Voor het bouwen van de kopie moest heel veel onderzoek gedaan worden.

In de gouden eeuw was er veel welvaart in de Republiek. Dat is nu nog steeds merkbaar. Rijke handelaren lieten schilderijen maken door Hollandse schilders, welke nu nog te zien zijn in diverse musea. Hollandse meren werden drooggemalen om nieuwe landbouwgrond te verkrijgen.

zondag 3 januari 2010

Leerblad aardrijkskunde Amerika

Toets op 11-01-2010

Verstedelijking.

Meer dan de helft van de wereldbevolking woont in een stad. In Zuid-Amerika woont zelfs meer dan driekwart van de mensen in een stad. Vroeger waren de mensen boer. Ze woonden in dorpen of op het platteland. Grote steden waren er nauwelijks.
In Europa begon de verstedelijking het vroegst. In de negentiende eeuw trokken veel mensen naar de stad. Daar waren de fabrieken. Tegenwoordig groeien Europese steden nauwelijks meer.
In Azië, Zuid-Amerika en Afrika zijn de laatste vijftig jaar de steden sterk gegroeid. Daar liggen inmiddels zo’n 275 steden met meer dan 2,5 miljoen inwoners.
In Azië zijn de meeste grote steden, maar in Afrika groeien steden het snelst.

Metropool.

In het centrum van een metropool kom je vaak wolkenkrabbers tegen. Omdat er weinig ruimte is moet men wel de hoogte in bouwen. Ook is de grond in het centrum duur. Dit komt omdat grote multinationals (bedrijven die producten over de hele wereld verkopen) graag in het centrum willen zitten. Om het centrum vind je de woonwijken voor de middenklasse. Daaromheen villawijken met veel groen. In de buitenste rand vind je de sloppenwijken.
De sloppenwijken ontstaan doordat er veel arme mensen een onderkomen zoeken. Zij komen van het platteland (boeren). Omdat ze niet genoeg werk en inkomen hebben, trekken ze naar de stad. Ze hopen er werk te vinden.
In een sloppenwijk mis je vaak basisvoorzieningen zoals: water, elektriciteit, riolering en openbaar vervoer. Daar probeert men tegenwoordig wat aan te doen, maar dat gaat nog zeer langzaam..

Kleurrijk continent.

De eerste bewoners van Amerika waren de indianen. Ze leefden van de jacht en de landbouw. In 1492 ontdekte Columbus Amerika. Hij noemde het “de nieuwe wereld”. Na Columbus volgden meer Europeanen.
De Engelsen namen in de zeventiende eeuw Noord-Amerika in bezit. Ze vestigden er koloniën en verdreven de indianen. Veel Engelsen en andere Europeanen gingen als kolonisten naar Amerika. Ze haalden slaven uit Afrika om op de plantages te werken. In 1776 werden de koloniën onafhankelijk van Engeland en werden de Verenigde Staten van Amerika gesticht.
In de negentiende en twintigste eeuw kwamen er steeds meer nieuwkomers naar Amerika. Eerst uit Europa, maar later ook uit andere werelddelen, zoals Azië.

Een wereld vol verschillen.

In Amerika kom je verschillende soorten boeren tegen. De grootgrondbezitter heeft veel land om te verbouwen (graanbedrijven in de Verenigde Staten of veeteeltbedrijven in Zuid-Amerika). Deze bedrijven produceren veel geld. Op de graanbedrijven hebben ze grote machines om het land te bewerken. De grote veeteeltbedrijven hebben veel mensen in dienst. Deze worden “cowboys” of “cauchos” genoemd.
Smallholders hebben juist kleine boeren bedrijven. Wat ze verbouwen eten ze zelf op. Wat over blijft verkopen ze op de markt. Smallholders hebben weinig grond en produceren weinig geld.

Suriname en Nederland.

Suriname was vroeger een Nederlandse kolonie. In 1975 is Suriname zelfstandig geworden. Er zijn toen veel Surinamers naar Nederland gekomen. Zij hadden geen vertrouwen in de Surinaamse regering, er was weinig werk in Suriname en zij hadden vaak veel familie in Nederland.